Gedichten·Poëzie

Ik vlieg

Fot van wieken van een molen waarbij twee vogels, die op één van de wieken van de molen zitten, elkaar lieflijk aankijken.

In m’n hoofd vlieg ik
vrolijk en gezwind door de lucht
soepel en behendig
strek ik m’n vleugels uit
en vlieg ik om de obstakels heen.

Maar hier op aarde
verkrampt m’n lichaam.
Ik voer uit wat gevraagd wordt.
Ik zwijg omdat woorden worden genegeerd.
Zelfstandigheid wordt enkel geapprecieerd
als vervelende problemen opgelost moeten worden.

Maar nu sta ik op,
strek ik m’n vleugels uit
en vlieg omhoog.

Nu weet ik
dat vliegen in m’n genen zit.
Zelfstandigheid en vrijheid
heb ik nodig
om gezwind door het leven te gaan.

Eerdere pogingen
om uit te vliegen
strandden telkens opnieuw.

Omdat ik bang was om neer te storten?
Omdat ik bang was voor de weidsheid van de vrijheid?
Omdat ik bang was voor de zwaarte van de zelfstandigheid?

Wie zal het zeggen…

Wellicht was ik me vooral onbewust
van de kracht in mijn eigen vleugels
eeuwig wachtend
op degene die me in de lucht zou duwen
en dus bleef ik
machteloos
aan de grond genageld
toen ik wou uitvliegen.

Maar nu weet ik
dat vliegen in m’n genen zit.
Zelfstandigheid en vrijheid
heb ik nodig
om gezwind door het leven te gaan.

Ik vlieg.

Eindelijk.

Ik vlieg.