Column·Het plattelandsleven·Verhalen

Een wandeling zonder bestemming

Enkele jaren geleden ben ik op zoek gegaan naar een wandeling in de nabije omgeving
die me dichter bij de natuur brengt en waarvoor ik de wagen niet van stal moet halen.
Ik ben uitgekomen op een wandeling van 6 à 7 kilometer
die me langsheen de velden brengt van een typisch Vlaams landschap.

Vlak land maar door een lichte glooiing niet zo plat als aan de kust.
De glooiing biedt boeiende weidse uitzichten.
Ten minste, boeiend als je er oog voor hebt.

Het land wordt gekenmerkt door enkele boerderijen, her en der verspreid.
De akkers worden omgeven door een bonte afwisseling van stenen en houten paaltjes,
verbonden met prikkeldraad, schots en scheef neer gepland
om de grens met het aanpalend erfgoed vast te leggen.

Oude, verroeste toegangspoorten die wijzen op vervlogen tijden,
waarvan je je afvraagt of ze nog steeds dienst doen.
Achter een hoekje of bij een inkijkje tussen enkele bomen
een waterpomp op pensioen.
Een oude melkkan die werd omgebouwd tot een brievenbus.

Ik noem het mijn ‘pensioenwandeling’.
Want als je op pensioen bent dan mag je wandelen zonder bestemming,
dan kan je de tijd nemen om te zien wat je anders niet ziet.

Zo’n wandeling waarmee je elke dag begint omdat verre reizen niet meer hoeven,
omdat je dat wat dichtbij is veel meer kan appreciëren dan vroeger.

Mijn pensioenwandeling…
meer dan 20 jaar vóór mijn pensioen.

Anderzijds is het een wandeling met veel bestemmingen.
Vaak onverwacht brengt een bepaalde aanblik je naar zomerse bestemmingen.

Een rij bomen, badend in een zacht licht, en heerlijk lange schaduwen,
kan heel even het gevoel van Toscane oproepen.
Soms waan je je in Frankrijk,
met een veld vol gele bloemen langs de zachte glooiing van het land,
in het gouden licht van een ondergaande zon.

Voor velen misschien een hele saaie wandeling,
maar als je je zintuigen ten volle hun werk laat doen,
dan brengt het je telkens opnieuw verwondering en schoonheid.

Column·Het reizigersleven·Verhalen

Toppenverzamelaars

Toppenverzamelaars. Ik vind het een magnifiek woord.
Het staat voor bergbeklimmers die zoveel mogelijk bergtoppen
aan hun verzameling willen toevoegen.
Maar je hoeft geen bergbeklimmer te zijn om toppen te verzamelen.

De Zugspitze is de hoogste berg in Duitsland, op de grens met Oostenrijk.
Vanuit beide landen kan je de kabelbaan nemen die je brengt
naar een platform in de omgeving van de Zugspitze.

Je vertoeft er letterlijk tussen de bergtoppen in vele tinten blauw.
Vaak ga je letterlijk op tussen de wolken die je alle zicht benemen.
Om kort nadien toeschouwer te worden van een magnifiek landschap
dat zich voor je ogen ontvouwt.

Je ruikt er de frisheid van de ongerepte natuur
en proeft er de kilte van het hooggebergte.
Je hoort er de wind en oprukkende kraaien
die cirkelen boven de mensen op zoek naar verloren etensresten.

De hoogste bergtop wordt geflankeerd door een kruis.
De ‘echte’ bergbeklimmers nemen geen kabelbaan
om de 2962 meter hoge berg te beklimmen.

Maar er zijn nog zoveel andere toppenverzamelaars
die niet tevreden zijn met een blik op die ene bergtop.
Ze hebben geen oog voor de stille natuurpracht.
Hun enige doel is een selfie met het kruis op de bergtop.

Ze moeten daarvoor eerst klauterend afdalen van het platform
om dan met handen en voeten
halsbrekende toeren te verrichten langs puntige rotsen omhoog.
En dan langs een dunne richel
met een indrukwekkend ravijn langs de flanken.

Onvoorbereid, in short en t-shirt,
op sandalen of eenvoudige sneakers,
in temperaturen die net boven het vriespunt uitkomen,
zoon en dochterlief van nog geen vijf jaar oud
meezeulend in hun kielzog.
Waanzin ten top.

Maar achteraf heb je een selfie als bewijs,
en ogen die niets hebben gezien.

Het verzamelen van toppen,
al dan niet bergtoppen,
is het nieuwe goud in deze tijd.

Het voelen van adrenaline gaat boven het uitdiepen van onze zintuigen.